geert vanoorlé

'D'

 

Hij lag nog in bed toen hij zonder duidelijke aanleiding aan het monumentale werk terugdacht.

Het was het voorbije weekend eenmalig te zien geweest tijdens een cultureel evenement in het oude, neoclassicistischeGerechtsgebouw. Het werk bestond uit een tijdelijke, schilderkunstige ingreep die prachtig

inspeelde op de bijzondere locatie en het geheel had hem onmiddellijk geïntrigeerd - nog vóór hij wist wie

het had gemaakt. Het was bovendien als een verrassing gekomen want nooit eerder had hij een dergelijk

plaatsgebonden werk van Geert gezien en al evenmin iets van die grootte. Hij vond het jammer dat het er

niet van was gekomen om enkele foto's te maken. Nu restte enkel de broze herinnering aan het kunstwerk:

een lichtgekleurd, min of meer ruitvormig vlak op een door de radiator donker geblakerde muur tussen twee

hoge ramen.

 

Vervolgens sprongen zijngedachten naar ouder werk van Geert. Een reeks kleine, abstracte schilderijen die,

zo liet hij zich een keer door een galeriste vertellen, subtiel zouden verwijzen naar de vorm van de zweetdoek

van Christus. Binnen de rechthoek van het paneel of het canvas leek er tussen de vier hoeken een nieuw vlak

te zijn gespannen, maar dan met verf. Telkens heel elementair en toch zinnelijk geschilderd. Vaak in heldere

kleuren maar ook enkele werken in louter zwart- en grijstinten.

Z'n gedachten gingen verder, naar deoude prent van de heilige Veronica. Een kleine gravure achter glas die

een onuitwisbare indruk op hem had nagelaten. De prent hing boven de ingang van de nu in onbruik geraakte

donkere kamer van zijn vader en grootvader, die beiden fotografen waren geweest.

Een mysterieus maar ook deerniswekkend beeld van een vrouw die een doek met de afdruk van het bebloede

en bezwete gelaat van Christus voor zich houdt. De naam van de heilige in kwestie, dat had hij opgezocht,

zou de samenstelling zijn van 'vera' en 'icon', hetgeen zoveel als 'waar beeld' betekent. In een vorige eeuw

werd Veronica tot patrones van de fotografen uitgeroepen, daarvoor was ze reeds de beschermster van 'de

wasvrouwen'. Uit de prent die boven de doka hing, sprak een onwaarschijnlijke tristesseen zwaarmoedigheid

die, samen met het wonderbaarlijke aspect van de afgebeelde gebeurtenis, sinds zijn jeugd altijd al erg

tegenstrijdige gevoelens bij hem had opgeroepen. Zelfs in die mate dat hij nooit de behoefte had gevoeld

om de prent eens een keer van dichtbij te bestuderen.

 

Terwijl hij zo in bed lag te mijmeren, drong het voor het eerst tot hem door dat deze ene donkere kamer niet

de enige in het huis van zijn grootouders was geweest. Hij had daar nog niet eerder bij stil gestaan.

Hij trachtte zich de oorspronkelijke indeling van het huis, waar hij als peuter en ook later nog veel tijd had

doorgebracht, opnieuw voor de geest te halen.

Op het gelijkvloers, dicht bij de winkel, bevond zich een doka voor de ontwikkeling van dezwart-witfilms.

Deze ruimte was met kartonnen wanden in de naar huidige maatstaven armtierige keuken getimmerd.

De keuken deed ook dienst als badkamer en was voorzien van een grote, ondiepe gootsteen in terrazzo.

Vlakbij, aan een waslijn, hingen er toen meestal negatieven te drogen, met een loden gewichtje aan het uiteinde

tegen het opkrullen.

Een beetje verder, in de fotostudio, zat er onder een trap de kleinste doka van het hele huis. Waarschijnlijk

een kamertje bestemd voor het wisselen van films in technische camera's want een vergroter of chemische

baden waren hier niet te vinden. De fotostudio zélf kon via een gat in het plafond, waarboven dan een

vergroter werd geplaatst, tot een enorme doka getransformeerd worden.

 

Op de eerste verdieping bevond zichde donkere kamer waar de foto's werden afgedrukt en ontwikkeld.

Hier hing de oude afbeelding van Veronica met haar doek. Op de tweede verdieping een laatste doka voor

de ontwikkeling van speelfilm. Zijn grootvader had in deze ruimte tijdens de jaren '50 een hele constructie

gebouwd, half geïmproviseerd, om de meterslange smalfilms manueel door de vele baden te leiden. Deze

doka leek nog het meest op een bizar laboratorium en was vrij snel in onbruik en in vervallen toestand

geraakt. Naast deze doka lag er nog een tweede verduisterde ruimte waarvan hij de functie niet meer kon

vermoeden.

 

Als gevolg van de chemische producten in al deze donkere kamers, die slechts werden afgeschermd door

een dubbel, zwart gordijn aan de ingang, hing er in een groot deel van het huis een penetrante, azijnachtige

lucht. Het waren de hoogdagen van de analoge fotografie en er werd dagelijks meermaals ontwikkeld en

geprint en daarom werden de ontwikkelbaden en -tanks slechts terloops met een plankje afgedekt tot de

volgende sessie begon.

 

Een andere, typische geur die hij zich duidelijk herinnerde, was die van olieverf. Zijn grootvader had, zo werd

hem toch altijd verteld, ook wat geschilderd en op de grote retoucheertafel voor de zwart-witfoto's, had lang

een kistje met halflege tubes olieverf gestaan. De geur van de lijnolie was zwaar en aards, bijna zwoel.

Hij wist nog goed dat de kleuren in de loden tubes over een voor hem ongekende intensiteit beschikten.

Behalve een wat saai, klein religieus tafereel op hout en twee pasteltekeningen waren hem echter geen

schilderijen van zijn vroeg gestorven grootvader bekend.

 

Hij trachtte zich het werk van Geert in het Gerechtsgebouw opnieuw voor de geest te halen. Het ruitvormige

vlak op de grote binnenmuur had hem doen denken aan een lichtvlek waarvan de oorsprong verborgen of

in elk geval onduidelijk bleef. Een herinnering aan de buitenwereld en de vrijheid zoals je dat misschien ook

in een kerker, voorzien van een onbereikbaar raampje, zou kunnen ervaren.

 

Hij dacht nu ook terug aan een foto die hij enkele jaren geleden tijdens een kleine tentoonstelling maakte.

Een schilderij van Geert tegen een witgekalkte muur. Daarnaast, of erover, een heldere, hoekige lichtvlek.

Waarschijnlijk een reflectie of een zonnestraal die door het dakraam van de kleine expositieruimte naar

beneden viel.

 

Het werd tijd om op te staan en hij nam zich voor om misschien eens een paar dingen uit te zoeken.

Een week later, tijdens een toevallig bezoek aan z'n zus, zag hij het religieuze triptiekje van z'n grootvader

terug. Het stond er uitgestald op een kleine tafel tussen kinderfoto's en andere spullen. Het paneel was zorgvuldiggesculpteerd in de vorm van een Gotisch raam dat je kon openslaan. Het tafereel van de Heilige

Familie aan de binnenzijde bleek nogal onhandig geschilderd. De achterzijde van het paneel vermeldde het

jaartal 1947 en was daaronder, goed leesbaar, gesigneerd met een totaal onbekende naam.

 

Tekst door Jan Delestinne

http://geertvanoorle.be