top of page

54 | “OK”



27.03.2021 - 12.06.2021

We follow the sanitary guidelines: wearing a mouth mask is mandatory, disinfectant hand gel will be provided and a maximum of 15 visitors will be allowed at the same time.

images by Ligia Poplawska, Frederic Geurts and John Van Oers

Lees meer | Read more


When the Surrealists invented the technique of 'cadavre exquis' at the beginning of the last century, an extraordinary interaction of language, sign and coincidence emerged. A poem was written by several poets without knowing the lines written by the others. The game was named after the first words of the first poem written in this way, in which originally five different people entered five phrases in succession: a noun, an adjective, a verb, a direct object and an adjective that can go with it. The result was a grammatically correct, but content-wise completely unexpected construction: "Le cadavre exquis boira le vin nouveau" (The exquisite corpse will drink the new wine).

And when André Breton, Paul Eluard, Yves Tanguy or Jacques Prévert deployed the process, they embraced automatic writing and challenged the subconscious. The same principle was applied to drawings, so that images are created collectively from chance and intuition. Separate, self-contained creations are brought together to form a new imagination that exceeds the different parts, but do not affect their individuality. In order to achieve this, one can set a starting point: the idea of a tower, for example.

And hence also Frederic Geurts and John Van Oers started with pencil drawings of pieces of towers on zigzag folded sheets. The paper versions had the advantage that they could easily cut and paste the pieces. This culminated in a number of long drawings that became the trigger to experiment with three-dimensional forms. The towers were created by blindly assembling small iron wire structures, sharing only the endpoints. Afterwards, they gathered with their 16 separate structures and soldered them until each tower consisted of at least 4 elements: 2 by Frederic and 2 by John. Like little boys around the workbench, they joined the metal elements together and were surprised by the calculated risk, the playful poetry and the sense of belonging that arose. During the soldering process, the iron sticks and sprigs were not only firmly attached, but also a consciousness arose, a willingness to actively create and strengthen each other: John + Frederic + John + Frederic (JFJF) and Frederic + John + Frederic + John (FJFJ).

Frederic Geurts and John Van Oers also have a visual language that converges, not only in the execution of line, but also in the embrace of coincidence and doubt, the minimal and the humorous. They like to put things into perspective and enjoy stripping the appearance of a work of art from its elevated aura. They question the premise of copyright, the protection of the ego or the idea of recognition. They play with their own style, their own signature and confuse themselves as well as the spectator. Their interactions have something of a serious game. Vulnerable as good friends. Respectful, sharp and in full confidence.

These small towers are fragile stacks on floating pedestals, sculptural collages that reach out, sometimes upwards, sometimes a little to the right. They are the result of an exchange, where Frederic might rather defy gravity and John mainly challenges the idea of balance. Where the one uses a twisting technique and the other tightens his threats. Starting from their own accents, they repeatedly discover the added value of working in a duo, of moving slightly disturbed in their own world, where an inch or a foot can be a mile. Somewhere, they secretly hope for small mistakes, for oblique miscalculations or forgotten reflections so they can search for solutions together and reflect on art and life. While dancing and building.

While soldering those small towers, they also thought of a translatable version of a large-scale tower (about 19 feet long). And while one of them thought of a horizontal sculpture that was compositionally built as a reclining structure, the other started from a vertical tower that had toppled over, a construction that reached high, but had stumbled somewhat dramatically. Two artists with two different starting points who created an enlarged joint object that rests in the center of the space. And despite that different perspective, it turned out “OK” and this little word would become the title of the exhibition.

With the minimum of letters to come up with a title, an O and a K, the duo once again created a cheerful confusion. And although it refers to a good feeling (everything is OK, fine, okay), its origins are not entirely undisputed. A number of words have gone down in history according to pronunciation rather than spelling: All Right became Oll Wright, All Correct became Oll Korrekt. Nobody Killed became Zero Dead. Or is it Kicked Out, Old Kinderhook, Wa-Kee, Ola Kala or Au Quai. In any case, Frederic and John set out to be adventurous and to connect coincidences and doubts. Two artists, two letters. OK.

In the exhibition, you actually enter a laboratory of two soul mates who are passionately and unpretentiously involved with art. You see their 'blend', but also their dialogue, their visual conversation that is present in fragments along the stairs and in the rooms of the gallery space. Because alongside the towers, which are the results of their joint actions, their ‘own' works also appear, such as receivers, gravity meters, stations or radar systems. Numbers or letters take us out of complicated systems, where an L can simply be left and R simply right, the price of diesel at a given moment (14.20) or a North-South line casually on the floor. In photographic works, movement is captured, like a falling square or like imperial sticks that are close to forming a tangle. In maquette-like structures, a setting becomes the scene of imagined happiness. There is a lot of white, and sometimes orange, blue or black.

You see objects that remind us that there is more than architecture, that there can be perspective beyond the here and now, beyond the horizon. That the artists intentionally create new things by chance. Unique and alert. Mikado and meccano.

text by Els Wuyts (March 2021)


Toen de Surrealisten in het begin van de vorige eeuw de techniek van ‘cadavre exquis’ bedachten, ontstond een bijzondere wisselwerking van taal, teken en toeval. Een gedicht werd door meerdere dichters geschreven zonder dat zij op de hoogte waren van de versregels die door de anderen werden geschreven. Het spel is genoemd naar de eerste woorden van het eerste gedicht dat op deze manier is geschreven, waarbij oorspronkelijk vijf verschillende personen achtereenvolgens vijf zinsdelen inbrachten: een zelfstandig naamwoord, een adjectief, een werkwoord, een lijdend voorwerp en een bijvoeglijk naamwoord dat daarbij kan horen. De uitkomst werd een grammaticaal correcte, maar inhoudelijk compleet onverwachte constructie: “Le cadavre exquis boira le vin nouveau” (het voortreffelijke lijk zal de nieuwe wijn drinken - the exquisite corpse will drink the new wine).

Dus als André Breton, Paul Eluard, Yves Tanguy of Jacques Prévert het procedé ontplooiden, omarmden ze het automatische schrijven en daagden ze het onderbewuste uit. Met tekeningen gebeurt net hetzelfde waardoor beelden collectief ontstaan vanuit toeval en intuïtie. Afzonderlijke, op zichzelf staande creaties worden samengebracht zodat die een nieuwe verbeelding vormen dat de delen overtreft, maar niet aantast in hun eigenheid. En om dat te bereiken kan je beginnen met een vertrekpunt: de idee van een toren bijvoorbeeld.

En zo zijn Frederic Geurts en John Van Oers begonnen met potlood tekeningen van stukken van torens op zigzag geplooide bladen. Die papieren versies hadden het voordeel dat ze daar makkelijk tussen konden knippen en plakken. Ze kwamen tot een aantal lange tekeningen die de trigger werden om te experimenteren met driedimensionale vormen. De torentjes zijn dan ook ontstaan uit een blind bijeenvoegen van kleine ijzerdraad structuren, waarbij enkel de eindpunten met elkaar werden gedeeld. Nadien kwamen ze met hun 16 aparte structuurtjes samen om ze te solderen totdat elke toren minstens uit 4 elementen bestond: 2 van Frederic en 2 van John. Als kleine jongens rond de werktafel verbonden ze de metalen elementjes aan elkaar en werden verrast door het berekend risico, de speelse poëzie en het gevoel van samenhorigheid. Tijdens het solderen werden de ijzeren stokjes en sprietjes niet alleen stevig vastgemaakt, maar ontstond ook een bewustzijn, een bereidheid om actief te creëren en elkaar te versterken: John + Frederic + John + Frederic (JFJF) en Frederic + John + Frederic + John (FJFJ).

Frederic Geurts en John Van Oers hebben daarenboven een beeldtaal die naar elkaar toeneigt, niet alleen in de lijnvoering, maar ook in het omhelzen van toeval en twijfel, het minimale en het humoristische. Ze relativeren graag en genieten ervan om de uitstraling van een kunstwerk te ontdoen van een verheven aura. Ze stellen de premisse van auteursrecht, de bescherming van het ego of de idee van herkenbaarheid in vraag. Ze spelen evenwel met hun eigen stijl, hun originele handtekening en verwarren zichzelf en de toeschouwer. Hun interacties hebben iets van een serieus spel. Kwetsbaar als goede vrienden. Respectvol, scherp en in volle vertrouwen.

Die kleine torens zijn fragiele stapelingen op zwevende sokkels, sculpturale collages die soms een beetje schuin soms een beetje recht naar boven reiken. Ze zijn het resultaat van een uitwisseling, waar Frederic misschien eerder de zwaartekracht zal tarten en John vooral het idee van evenwicht uitdaagt. Waar de ene een draaiende techniek gebruikt en de ander zijn draadjes strak trekt. Vertrekkend vanuit eigen accenten, ontdekken ze telkens opnieuw de meerwaarde van het werken in duo, van het lichtjes gestoord bewegen in een eigen wereld, waar een millimeter een kilometer kan zijn. Ergens hopen ze stiekem op kleine foutjes, op haakse misrekeningen of vergeten spiegelingen, zoeken ze samen naar oplossingen en reflecteren over kunst en leven. Al dansend en bouwend.

Tijdens het solderen van die kleine torentjes dachten ze ook aan een vertaalbare versie van een toren op groot formaat (ongeveer 6 meter lang). En waar de ene dacht aan een horizontale sculptuur die compositorisch opgebouwd werd als een liggende structuur, vertrok de ander vanuit een verticale toren die omgevallen is, een constructie die dan wel de hoogte in wou, maar ietwat dramatisch gestruikeld is. Twee kunstenaars met twee verschillende uitgangspunten die een uitvergroot gemeenschappelijk object hebben gemaakt die centraal in de ruimte rust. En ondanks die andere blik, bleek het “OK” en werd dit kleine woord de titel van de tentoonstelling.

Met het minimum aan letters om een titel te bedenken, een O en een K, zorgt het duo alweer voor een vrolijke verwarring. En hoewel het verwijst naar een goed gevoel (alles is in orde, prima, top, okay), is de herkomst ervan niet helemaal onbesproken. Een aantal woorden doken de geschiedenis in volgens uitspraak en niet volgens spelling: All Right werd Oll Wright, All Correct werd Oll Korrekt. Niemand Gedood werd nul doden. Of is het Kicked Out, Old Kinderhook, Wa-Kee, Ola Kala of Au Quai. Frederic en John hebben alleszins de lijnen uitgezet om avontuurlijk te werk te gaan en toevalligheden of twijfelachtigheden te verbinden. Twee kunstenaars, twee letters. OK.

In de tentoonstelling kom je als toeschouwer dus eigenlijk terecht in een laboratorium van twee soulmates die passioneel en niet-pretentieus met kunst bezig zijn. Je ziet hun ‘blend’, maar ook hun dialoog, hun beeldend gesprek dat in fragmenten aanwezig is langs de trappen en de kamers van de galerieruimte. Want naast de torens, die de resultaten zijn van hun gezamenlijke handelingen, verschijnen ook ‘eigen’ werken, zoals ontvangers, gravitatiemeters, stations of radarsystemen. Getallen of letters halen ons uit ingewikkeld lijkende systemen, waar een L gewoon links en R simpelweg rechts kan zijn, de prijs van diesel op een bepaald moment (14,20) of een Noord-Zuid-lijn casual op de grond. In fotografische werken wordt beweeglijkheid gecapteerd, als een vallend vierkant of als keizerlijke stokjes die net geen wirwar vormen. In maquette-achtige structuren wordt een decor de scène van verbeeld geluk. Er is veel wit, maar soms ook oranje, blauw of zwart.

Je ziet objecten die er ons aan herinneren dat er meer is dan de architectuur, dat er voorbij het hier en het nu, ook perspectief kan zijn, verder dan de horizon reikt. Dat de rode draad gewoon kunst kan zijn. Dat de kunstenaars door toeval opzettelijk nieuwe dingen laten ontstaan. Uniek en alert. Mikado en meccano.

tekst door Els Wuyts (Maart 2021)

bottom of page