top of page

52 | Equilibrium


26/27.12.2020 - 30.01.2021

open on Thursday 31.12.2020 | 2-6 pm
Saturday 02.12.2020 | 2-6 pm
and Sunday 03.12.2020 | 2-6 pm

pictures by Ligia Poplawska

Lees meer | Read more


Rain or shine, Babs goes on long walks - at times to inhospitable places – where she picks up tiny objects. She observes, selects and hand-picks all sorts of rejects which she consummately makes her own. To pick up a trinket is to accept and appropriate it, take it to your heart and intensely cherish it, for it fills a particular inner need. Going walking - this modern-day hunter-gatherer’s quest - is always a momentous occasion.

Their morphology, structure and texture make stones into the archive and library of the origin of earthly life. Each time Babs places a stone in the palm of her hand and clasps it between index and little flinger, she makes up a warm bed for it and embarks on her own story. The hand is the unit of measure: when it fits in one hand, you can keep it. At times, it’s as if the artist’s soul has nestled in the palm of her hand. Bab’s creations harbor her physical and psychological essence: fragile, vulnerable yet also firm and strong.

After graduating in graphic design and photography, she resolutely opts for the back-to-basics approach of analog black-and-white photography without a camera. This entails, amongst others, camera obscura works/installations, photograms, images of all that blooms and flourishes, and lots of arduous dark-room work. She photographs aspects of nature: a landscape, its many minuscule details, and associates them with the flow of her own, meandering inner life.

Her oeuvre may take on many forms, but the central principle remains the same, in that it moves from the simple and minute, over enduring effect and transformation to our complex, large-scale world.

Take the monumental mobiles representing the cosmos an its up-currents, for example. From micro to macro, from cell to organism, from dot, line, circle to spiral. Yet always keenly aware of man’s insignificance.

Babs’ compositions never stray from her own self. Images and stones are not vehicles for romantic metaphors or artistic demonstrations. She indeed only assembles what feels right. Her quest is an intuitive one, even though the route may have been mapped out ages ago. This work is essentially the activity of the child Babs, who spent years in a seaside sanatorium, pockets bulging with what today forms the basis of her oeuvre. ‘Surely I could do this myself ‘, some beholders will say, since it all looks very familiar. What matters, however, is the potential for empathy; which, incidentally, is the way an artist forges a link with his/her public. This kind of beachcombing brims with youthful, tireless attempts at solving the morphological mysteries of the cosmos and universe. These are strong, pared down specimens by someone who lives and breathes nature, and has embarked on a quest that will never end. Going to see this work is like witnessing the elation of first stumbling upon something in nature. Watching rapture being rekindled is highly infectious.

text by Wim Van Mulders


Babs Decruyenaere laveert tussen conceptuele kunst en natuurwetenschappen, tussen arte povere en landart, tussen hemel en aarde.

Fotograferen is een vorm van ver­zamelen. Wat je niet kan of wil verwijderen, daar kan je een foto van maken. 

Verzamelen is dus, net als fotograferen, ordenen en plaatsen. De link tussen fotografie en het ­sculpturale ligt bij Decruyenaere ­onder meer in het zoeken naar ­evenwicht binnen het kader. Het moment waarop alle elementen op hun plaats komen te liggen. De ­houten doosjes fungeren als diepe kaders en de ­kaders soms als een vlakke, houten doos. Zoals in het werk waarin vijf koffiekleurige vellen fotopapier van verschillende tint en formaat, met daarop nauwelijks zichtbare afdrukken van kiezel­vormen, op de bodem van het kader geschikt staan. 

Een bescheiden bouwsel waarbij grillige stenen los op en naast elkaar zijn gestapeld, werd door Decruyenaere in een foto vastgelegd. Was het slechts een tijdelijke ordening? In elk geval wordt het zo bijgehouden; binnen het beeldkader blijft het bestaan. Naast het echte fotograferen, met een analoog toestel en in zwart-wit, maakt Decruyenaere vooral gebruik van oude fotografische technieken om met de keien abstracte werkjes te creëren, of om hun aanwezigheid in zelf ontworpen vormen te suggereren. Soms brengt ze op ­papier foto’s en fotogrammen ­samen in een fictieve constructie. 

Het evenwicht in het werk van ­Decruyenaere lijkt vaak heel broos. Dat komt het meest tot uiting in de zacht wentelende mobiles die ze maakt met takken, twijgjes en kleine kiezels. Het zijn aardse, stervormige figuren die fragiel ogen door hun fijne, natuurlijke materialen, maar tegelijk bestendigheid uitstralen in hun verbondenheid. 

Het werk van Decruyenaere is pretentieloos in vorm, elegant in uitwerking en veelzijdig in zijn orga­nische connecties en ­mogelijkheden.

Uit: Tussen hemel en aarde
Stefan Vanthuyne 
De Standaard 6 janauri 2021

bottom of page